Volgende tekst over het museum Smidt Van Gelder verscheen
in het gerenommeerd tijdschrift Knack op 21 juni
2006Hollandse meesters
Antwerpen wil een van zijn mooiste belle-époquehuizen
definitief afschrijven als Museum Smidt van Gelder. Heeft
de fraaie (sier-)kunstcollectie nog een toekomst zonder
haar bijbehorende interieur? En hoe kon het zo ver komen?
Jammer dat koningin Beatrix, op staatsbezoek in ons land,
zich tijdens haar korte halte in de Scheldestad niet
persoonlijk kan vergewissen van de ernst van een langjarig
Antwerps-Hollands drama. Dat speelt zich af achter de
imposante gevel van het belle-époqueherenhuis aan de
Belgiëlei 91. Antwerpen bezit daar sinds 1950 het Museum
Smidt van Gelder, zo genoemd naar de Nederlandse mecenas
die het in dat jaar wegschonk aan de stad. De vorstin moet
weten dat het er niet zo goed mee is gegaan. Een felle
brand in februari 1987 betekende het begin van de ellende.
Het gebouw was zwaar beschadigd door het roet, de rook en
het water van de bluswerken. Met beperkte middelen en
geringe deskundigheid werd het weer opgeknapt. Toen het na
enkele maanden helemaal in orde leek, merkte men dat er
overal zwam en rottenis optrad omdat de muren onvoldoende
uitgedroogd waren. Museum opnieuw dicht. De grondige en
geslaagde restauratie van de stijlkamers nam enkele jaren
in beslag, maar leek te worden beloond. Het heropende
museum kon met zijn kostbare porselein, stijlmeubelen,
tapijten en oude schilderijen in een rijk burgerlijk
interieur, een publiek van fijnproevers aantrekken.
Tegelijk werd duidelijk dat het niet beantwoordde aan
actuele internationale museumnormen (ICOM). Althans op het
vlak van onthaal, educatieve, sanitaire en veiligheids-
voorzieningen.
In de tweede helft van de jaren negentig had cultuurschepen
Eric Antonis de grootscheepse modernisering en
restyling
van de stedelijke musea laten uitvoeren. Architect Stéphane
Beel, die met succes het Rubenshuis en de musea
Plantin-Moretus en Mayer van den Bergh had aangepakt,
ontwierp ook de plannen voor de renovatie en restauratie
van het museum Smidt van Gelder. Het ambitieuze programma
van Antonis en Beel voorzag zovele nieuwe functies voor het
honderdjarige woonhuis (bibliotheek, educatieve ruimte,
keramiekatelier, tearoom, museumshop...) dat het wel erg
sterk moest zijn om dat allemaal aan te kunnen. Van een
rustig privémuseum, in 1937 door ridder Pieter Smidt van
Gelder ingericht om er tussen zijn geliefde objecten te
kunnen leven, naar een multifunctioneel museum dat aan de
ICOM-normen beantwoordt, is een hele stap.
Een stap te veel, zo bleek. De eeuweling uit de belle
époque - in 1905 als een fusie van twee bestaande woningen
gebouwd door Joseph Hertogs voor de bankier Edouard Thijs -
was bij lange niet stabiel genoeg voor zijn nieuwe
opdracht: als gevolg van enkele vroegere bouwingrepen bleek
het zijn fundamenten te zijn kwijtgeraakt. Het losse, als
een 'deksel op een pot' rustende dak, rotte vloeren en
verzakkingen zagen er evenmin erg pluis uit. De hele
operatie zou fortuinen kosten. Antonis stak de witte vlag
uit. Het gebouw werd ontruimd, het museum gesloten, de
verzameling belandde in het nieuwe stadsdepot - de vroegere
politiekazerne op de Luchtbal. Alleen museumpersoneel kan
ze daar zien, voor zover ze niet in kisten opgeslagen ligt.
(De schilderijen hangen dicht opeen aan ijzeren rekken, de
voorwerpen blijven noodgedwongen ingepakt.)
Philip Heylen, Antonis' opvolger als cultuurschepen, nam de
zaak ter harte. Eind april jongstleden verkreeg hij een
collegebeslissing die leest als een beet in een zure appel.
De naakte opsomming van alle miserie doet de conclusie,
'dat de toekomst van het museum zal worden onderzocht' wel
erg onheilspellend klinken. Door ons ondervraagd, geeft
schepen Heylen inderdaad toe: 'Het gebouw inrichten volgens
ICOM-normen, het gebouw inrichten als een volwaardig
museum, dat is op dit moment niet de bedoeling van het
stadsbestuur.' Het enige wat nu aan de ICOM-normen
beantwoordt, is de manier waarop de collectie in het
stadsdepot wordt bewaard, geregistreerd en onderzocht. Dat
is waarlijk tragikomisch. Verdient het geen aanbeveling om
de ICOM-normen bij wijze van oefening even als
niet-alleenzaligmakend te beschouwen? Het kan toch niet dat
er geen plaatsje onder de zon meer zou zijn voor 'musea met
beperkte toegankelijkheid'?
ORANJE ETIKET
Intussen laat het college al onderzoeken welke nieuwe
locatie in aanmerking komt voor de collectie. Ze in stukken
verdelen is geen optie, de 'ondeelbaarheid' staat voorop.
Heylen hoopt zijn 'huiswerk' binnen zes, zeven maanden
klaar te hebben, wanneer het nieuwe college aantreedt.
Bovendien wil de schepen dat delen van de verzameling ook
daadwerkelijk te zien zijn. Dat is nu het geval met een
selectie van Hollandse
meesters
uit de verzameling Smidt van Gelder. Ze worden tijdelijk
geëxposeerd (tot 29.10) in de aangebouwde
tentoonstellingszaal van het museum Mayer van den Bergh,
dat zijn eigen Hollandse meesters voor de gelegenheid
voorzien heeft van een oranje etiket en een woordje uitleg.
En het hele bestand 17e- en 18e-eeuwse Hollandse
schilderijen van beide musea is nu door Sabine
Craft-Giepmans in een verzorgde catalogus beschreven.
Pieter Smidt van Gelder (1871-1956) was een telg uit een
geslacht van Nederlandse papierfabrikanten. Het
hoogwaardige Van Gelder-velijnpapier geniet wereldfaam.
Voor hij op zestigjarige leeftijd om onbekende redenen naar
Antwerpen verhuisde, had hij zich al eens in ons land
verdienstelijk gemaakt. Toen Nederland op de Gentse
wereldtentoonstelling van 1913 driehonderd boeken van
Nederlandse schrijvers, voorzien van handgeschreven
opdrachten, wou exposeren, liet de mecenas er een
monumentale bibliotheek voor bouwen, die hij dan ten
geschenke gaf aan de stad Gent.
Even gefortuneerd als Smidt van Gelder, verkoos de
Antwerpse aristocraat van Duitse afkomst Fritz Mayer om
zijn leven niet te verdoen met te werken maar het zinvol te
besteden aan het verzamelen van kunst. Van beiden is het
kunstbezit de stad Antwerpen ten deel gevallen. Smidt van
Gelder schonk zijn huis inclusief de verzameling in 1950
aan de stad, op voorwaarde dat hij er tot aan zijn dood
mocht blijven wonen. Mayer van zijn kant overleed
onverwacht in 1901, amper 43 jaar, voor hij zijn droom van
een eigen museum kon realiseren. Het was zijn moeder
Henriëtte van den Bergh die het drie jaar later liet bouwen
naast de met haar zoon gedeelde woning in de Lange
Gasthuisstraat. Na haar dood werd Antwerpen er de trotse
eigenaar van, alsook van de zowat 3000 kunstobjecten. Het
ziet eruit als een bevallige, niet al te grote
patriciërswoning uit de 16e eeuw, maar het is wel degelijk
een gebouw van Joseph Hertogs, de man die ook het
belle-époquehuis bouwde waar Smidt van Gelder in 1937 zijn
intrek zou nemen.
Directeur van deze beide stedelijke kunstmusea (en ook nog
van het Rubenshuis) is Hans Nieuwdorp, die de twee
kunstverzamelingen behoorlijk complementair vindt. Hij
wijst op de gedeelde Europese dimensie, die in Mayer van
den Bergh de schilderkunst van de 15e, 16e en 17e eeuw
bestrijkt, in Smidt van Gelder de 17e, 18e en 19e eeuw. 'In
die zin sluiten ze heel mooi op elkaar aan' zegt Nieuwdorp,
die ook de ingesteldheid van de twee kunstminnende
alleenstaanden vergelijkt (Smidt van Gelder scheidde vroeg
van zijn eerste vrouw, hertrouwde niet en bleef kinderloos,
Fritz Mayer bleef bij zijn moeder wonen en voegde haar naam
toe aan de zijne): 'Smidt van Gelder was natuurlijk niet de
kenner die Mayer van den Bergh was. Hij was iemand die zich
actief en eclectisch bewoog op de kunstmarkt. Nu was de
garantie op authenticiteit op veilingen, net als nu, niet
helemaal waterdicht. Een schilderij met een vals signatuur
maar dat leek op het werk van een echte meester, durfde hij
weleens te kopen. Hij was wel wat geschoold in wat ie koos,
maar hij heeft niet altijd de hand op topwerken kunnen
leggen.'
TULPENBOLLENSPECULANT
Nu, dat valt nogal mee. Deze Hollandse meesters mogen dan
niet luisteren naar de namen Rembrandt, Hals of Vermeer, ze
geven een mooi beeld van de gangbare genres in Nederlands
Gouden Eeuw (en de twee daarop volgende eeuwen), en geven
inzicht in de smaak van de heersende burgerklasse in de
kersverse zelfstandige republiek. De trots om het eigen
landschap spreekt uit een grote Salomon Ruysdael,
het Kasteel van
Egmont
en uit de pendantschilderijtjes Duinlandschap met
herberg
en Landweg met 3 personages
bij een vervallen hoeve
door veelschilder Jan van Goyen, ook onfortuinlijk
tulpenbollenspeculant. 'Veel van die landschappen werden in
'pendants' gemaakt, om aan weerszijden van een schouw of
een deur te hangen', zegt de conservator, die de vloer van
de tentoonstellingszaal voor de gelegenheid met een
zwart-wit tegelmotief liet beleggen, typerend voor de sfeer
van Nederlands Gouden Eeuw.
Waarom de niet zo bekende Robbert Griffier per se grote
tijdgenoten als Jacob van Ruysdael en Philips Wouwerman
wilde vervalsen, terwijl het gefantaseerde
Rijnlandschap
onder zijn eigen naam toch een 'beauty' is, kan allicht
alleen door geldzucht worden verklaard. Het schatje van
ridder Smidt van Gelder was de Amsterdamse wees Jan ten
Compe. Hij behoorde al tot de achttiende eeuw, waarin de
schilderkunst - die spiegel van de maatschappij -
opgeschoven was van resoluut vernieuwend naar enigszins
kneuterig. 'De grote inventie is op dat moment weg. Het is
een heel huiselijke en enigszins bekrompen tijd van de
burgerij', zegt Nieuwdorp. De helder en koel, topografisch
juist en gedetailleerd werkende Ten Compe had er niet
minder succes om. Smidt van Gelder bezat vijf Ten Compes,
maar wellicht diens mooiste landschap, een
Gezicht op
Kleef vanuit het zuidoosten,
viel ten prooi aan de vlammen tijdens de brand van het
museum in 1987.
Wat zou een verzameling Hollandse meesters zonder
stillevens zijn? Ook bij Smidt van Gelder vormen ze een
sterk punt, met een nog aan de zuidelijke traditie
herinnerend pronkstilleven van Willem Claesz Heda of een
door ouderdom en het gebruik van dunne, grijze verf
doorzichtig geworden ontbijtstilleven van Pieter Claesz. De
vertellers of genreschilders van de collectie vonden niet
veel genade in Nieuwdorps ogen: allemaal te veel van
hetzelfde, verdekte allusies op maagdelijkheid, erotiek en
dergelijke. Ook portretten, nog zo'n genre waar de
zelfbewuste nieuwe Hollandse burgerij zo tuk op was, liet
de conservator goeddeels in het depot: voor de vele knappe
portrettisten in de Mayer van den Bergh-collectie zijn de
schaarse Smidt van Gelders geen partij. Buiten categorie
ten slotte, vallen enkele pareltjes te noteren. Een uil
dirigeert een groot Vogelconcert,
een werk van Melchior d'Hondecoeter, vol sarcastische
politieke toespelingen. Jammer dat het ontsluieren ervan
onbegonnen werk is. Voor een doodsimpel kerkinterieurtje
van Cornelis van Vliet, meester in het spel van
schakeringen van licht en ruimte, heeft de ware liefhebber
veel over.
Zo bewijzen expo en catalogus van Hollandse
meesters
dat Antwerpen best in staat is om creatief om te springen
met geïsoleerde delen van een voor onbepaalde tijd dakloze
collectie, en haar niet compleet te veroordelen tot een
schimmenbestaan in een depot. Het drama is dat de stad met
het afschrijven van de meesterwoning van Joseph Hertogs als
museum, de belangrijkste kwaliteit van de collectie dreigt
verloren te zien gaan: Smidt van Gelder had zijn huis als
een totaalkunstwerk
ingericht waarbij meubilair, gordijnen, servies en
schilderijen perfect met het interieur harmonieerden. De
sfeer van het oud woonhuis, ingericht als privémuseum en
vrijgevig afgestaan aan de stadsgemeenschap, weerspiegelde
de ouderwetse, romantische kijk van zijn bezitter (De
prille 20e eeuwer Smidt van Gelder dweepte alleen met oude
kunst. Hij bezat één Jongkind, zij het een traditioneel
werk, waarin diens belang als voorloper van Monet nog niet
te zien was.). De bezoekers, pure liefhebbers, hadden geen
boodschap aan ICOM-normen voor onthaal, educatie,
sanitair, crea-ateliers,
auditoria, internet, bibliotheekruimte en
beveiligingscamera's. Ze kwamen enkel voor de kunst, en
waren bereid daar een ander voor op de koop toe te nemen.
Maar er was natuurlijk wel stront aan de knikker. Die kwam
uiterlijk in februari 1987 aan de oppervlakte drijven, naar
aanleiding van de brand. 'Ik heb die meegemaakt', zegt Hans
Nieuwdorp, die toen hoofdconservator was van 6 stadsmusea,
waaronder Smidt van Gelder. Een eigen staf had het museum
toen niet, zodat de collectie nooit geëvalueerd,
bestudeerd, gefotografeerd of zelfs maar deftig
geïnventariseerd was. Een veiligheidsprogramma was er niet,
laat staan een rampenplan. De elektrische verwarming die
Smidt van Gelder ooit in een vroeg stadium had laten
aanbrengen, leek het risico op brand kleiner te maken dan
de open haarden en kachels die in zijn tijd gebruikelijk
waren.
ROZE MARMER
In de kelder van het huis had de elektriciteitsmaatschappij
een grote kabine gevestigd die de hele wijk van
elektriciteit voorzag. De leidingen zaten weggewerkt in
muren en valse wanden, en konden niet adequaat
gecontroleerd worden. Een verhitting in een bocht van een
leiding moet de oude en gebrekkige isolatie in brand hebben
gestoken, vermoedt Nieuwdorp. Het vuur ontstond in een
bovenzaal met vitrines vol Meissener porselein. Het was
rond 8 uur 's morgens, alleen een poetsvrouw was al
aanwezig. 'De brandweer was vlugger dan ik', zegt
Nieuwdorp. 'Er moest zwaar geblust worden. Tijdens de
bluswerken werd alles naar buiten gebracht wat naar buiten
gebracht kon worden. Voorbijgangers, de bevolking, iedereen
heeft meegeholpen.' De schade was niettemin aanzienlijk.
Van drie zalen ging de inhoud verloren: figuren in
Meissener porselein van grootmeester Johan Joachim Kändler,
Hollandse kasten met kleine voorwerpen, zilverwerk en
Hollandse schilderijen (de verbrande schilderijen zijn mee
opgenomen in de bestandcatalogus van Sabine
Craft-Giepmans), Spaanse en Italiaanse schilderijen
waaronder prachtige werken van Antonio de Pereda, en vooral
twee sobere 18e-eeuwse stillevens van Luis Melendez.
De ramp had ook heilzame gevolgen. Voortaan kreeg elk
stadsmuseum een adjunct-conservator om de collecties
wetenschappelijk te inventariseren, te evalueren en te
bestuderen. Voor Smidt van Gelder was dat Clara
Vanderhenst, die in 1989 begon. Ze kweet zich van haar taak
en verzorgde in 1996 een aantrekkelijke brochure over het
museum in de reeks 'Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen'. Dat
was op een moment dat de toekomst van het volledig
opgeknapte Smidt van Geldermuseum er rooskleurig uitzag. De
stabiliteitsproblemen van het gebouw die bij de 'restyling'
aan het licht kwamen en tot de sluiting ervan leidden,
werden ook Clara Vanderhenst te veel. Ze staat nu op
non-actief.
Een leeg gebouw verkommert snel, en nog sneller als het al
in functionerende toestand te kampen had met schimmel. En
het nodigt onverlaten uit om een slag te slaan. In 2002
konden inbrekers ongehinderd een grote schoorsteenmantel
uit roze marmer uitbreken en mee naar huis nemen. Om 23 uur
werd alarm geslagen toen iemand een toegangsdeur van het
museum zag openstaan. Het nazicht gebeurde toen met
zaklampen, omdat de elektriciteit in het lege museum
afgesloten was en dus ook het inbraakalarm niet
functioneerde. Alweer bij wijze van onverklaarbare ironie
werd het gebouw in 2003 officieel erkend als een beschermd
monument, met alle wettelijke verplichtingen van dien voor
het respectvol onderhouden van het interieur. Maar welk
interieur dan? Schepen Heylen, aan zet, laat een 'bekend
notariaat' onderzoeken welke mogelijkheden nu de beste
zijn. Het pand verkopen? Een privépartner zoeken om er
samen een niet-museale bestemming aan te geven? En
ondertussen het gebouw en de tuin - een beauty met een dot
van een terrastrap - verder zien verloederen? 'Als
stadsbestuur moeten we dat vooral niet doen', zegt Philip
Heylen. 'We zetten mensen aan om hun gevels te onderhouden,
hun tuinen... dan moeten wij zelf het goede voorbeeld
durven geven.'
DOOR jan braet


Wat schreef men vroeger over het museum?

