De Verzamelaar en zijn collectie



Pieter Smidt van Gelder als verzamelaar en als stichter van het museum Smidt van Gelder (Wormerveer 1878 - Antwerpen 1956)




In de loop van de dertiger jaren van vorige eeuw, besloot de Nederlander Pieter Smidt van Gelder, rentenier en kunstverzamelaar, om zijn vaderland definitief te verlaten - hij was toen ongeveer zestig jaar oud. Hij overwoog aanvankelijk om zich in Zwitserland te vestigen, waar zijn familie een buitenverblijf bezat en hij deed ook elders wat prospectie, ondermeer te Brussel. Zijn probleem was niet eenvoudig. Hij zocht niet zomaar een huis, maar ook een waardig onderkomen voor zijn omvangrijke verzamelingen. Deze waren tot dan toe grotendeels opgeslagen in de oude pakhuizen van het familiebedrijf te Amsterdam. Via kennissen leerde Smidt het luxueuse Hotel Thijs kennen, aan de Antwerpse Belgiëlei. Hij vertelde later graag, dat hij deze imposante meesterwoning op staande voet heeft aangekocht, in een echte coup de foudre. Nooit had hij een huis gezien dat zo perfect beantwoordde aan zijn wensdroom: een comfortabele woonst voor zichzelf, gecombineerd met de ruimtelijke mogelijkheid om er een privé-museum in te richten. Stilistisch en inhoudelijk sloot het uitzonderlijke belle époquegebouw bovendien naadloos aan bij de collecties die er zouden worden ondergebracht. De combinatie van beide elementen stond bijgevolg garant voor een grote toegevoegde waarde. Pieter Smidt van Gelder verhuisde in 1937 definitief naar Antwerpen, zijn immense kunstverzameling zou hem later volgen per schip.
pastedGraphic

De verzamelaar aardde vlug en goed in zijn nieuwe stad. Na enkele jaren deed hij dan ook het nodige om de Belgische nationaliteit te verwerven. In 1949 startte de collectioneur bovendien onderhandelingen met burgemeester Lode Craeybeckx over een mogelijke schenking van het gebouw en zijn verzamelingen aan de Stad Antwerpen. Op 11 maart 1950 kon het nieuwe Stedelijk Museum Smidt van Gelder zijn deuren openen het grote publiek. Zolang Smidt leefde, behelsde de schenking enkel het gebouw en de inhoud van het privé-museum. Maar, wanneer in 1956 de verzamelaar op bijna tachtigjarige leeftijd overleed, mocht ook de inboedel van zijn woonvertrekken aan het museumpatrimonium worden toegevoegd, zodat dit nog verdubbelde in omvang.

In het bureau van de mecenas werden enkele ingelijste spreuken teruggevonden, die ons zijn drijfveren bij het collectioneren wat beter leren kennen.

De eerste spreuk verwoordt wat het uiteindelijke doel zou moeten zijn van elke volgehouden verzamelactiviteit, namelijk
The buyer of antiques cannot be classed with the man who squanders his money on luxuries. He is a man whose action will tend to enrich the future art treasures of the nation.
Hiermee wordt duidelijk dat Smidt altijd een publieke bestemming voor ogen gehad heeft voor zijn verzamelingen. Dat dit zich uiteindelijk in Antwerpen concretiseerde zal velen, zowel in Vlaanderen als in Nederland
, wel blijven verbazen. Volgens de verzamelaar was dit uitsluitend het gevolg van de onverhoopte ruimtelijke mogelijkheden die het Hotel Thijs hem bood. Zijn royale geste werd in ieder geval, zowel op nationaal als op stedelijk vlak, naar waarde geschat.
Op voordracht van de bevoegde ministers, bekwam hij het ereteken van Commandeur in de Kroonorde en dat van Commandeur in de Leopoldsorde. In 1954 werd Pieter Smidt van Gelder bovendien door Koning Boudewijn in de adelstand verheven, en dit met de persoonlijke titel van Ridder.
Het Stadsbestuur liet zich natuurlijk ook niet onbetuigd. Naast de gepaste plechtigheden bij de overdracht van de collecties en bij de opening van het nieuwe museum, werd een portret van de schenker besteld bij Isidoor Opsomer en werd er een hulde-adres gedrukt op de oude persen van het museum Plantin Moretus. In het stadhuis werd bovendien een glasraam geplaatst met het wapenschild van de schenker, naast dat van andere grote Antwerpse mecenassen als Florent van Ertborn en Fritz Mayer van de Bergh. In het nieuwe museum werd een gedenksteen geplaatst, waarop de overdracht van
dit huis en zijn verzamelingen herdacht wordt. Bij het overlijden van de verzamelaar in 1956, organiseerde de Stad een officiële begrafenis. De overledene werd bijgezet op het Erepark Schoonselhof, de grafsteen draagt zijn wapenschild en een korte tekst huldigt hem hier nogmaals als stichter van het Stedelijk Museum Smidt van Gelder.

De tweede spreuk vertelt iets meer over de esthetische overwegingen van de verzamelaar, namelijk
Nichts ist in der Welt der Kunstformen, gleich wie in die Natur, reine Willkur, sondern alles durch Verhältnisse und Umstände bedungen.
Uit de collecties blijkt dat Smidt een immens respect had voor het plastisch raffinement en het technisch vernuft van de ambachtslui uit het verleden. Schoonheid had voor hem natuurlijk met kleur, vorm en textuur te maken, maar ook met maat en orde, met verhoudingen en onderlinge relaties. Het ging nog verder dan dat, Pieter Smidt van Gelder beschouwde de uitgekiende presentatie van zijn collecties evenzeer als een
artistieke daad. Hij wilde dan ook niet dat deze opstelling tijdens zijn leven zou veranderd worden.
Naast een collectie schilderijen en prenten met vooral Hollandse meesters, maar ook met vertegenwoordigers van andere Europese scholen, verzamelde Pieter Smidt van Gelder vooral scheppingen van de toegepaste kunsten. Hij was hierbij bijzonder geïnteresseerd in de interieurkunsten, namelijk meubels met marqueterie van exotische houtsoorten, beslag van verguld brons en een blad in marmer, verguld of gepolychromeerd zitmeubilair bekleed met tapisserie en borduurwerk, maar ook wandtapijten, klokken of barometers, kunstzinnige interieurelementen in ormolu als haardijzers en verlichtingselementen en allerhande siervoorwerpen. Daarnaast bezat hij ook een fenomenale ceramiekcollectie met heel wat Delft, met een schitterend ensemble bestellingsporselein uit China en Japan en met indrukwekkende ensembles uit alle belangrijke porseleinmanufacturen van Europa. Minder omvangrijk, maar zeker niet minder boeiend is de collectie Edelsmeedkunst en Objets de Vertu met zilverwerk en juwelen, waaiers, miniatuurportretten, snuifdozen en reukflesjes.

De derde spreuk duidt de collectie verder op inhoudelijk gebied,
Le respect de la tradition fait la noblesse des métiers d’art.
De
traditie die de verzamelaar zo nauw aan het hart lag, situeert zich chronologisch tussen 1650 en 1914. Voor Pieter Smidt van Gelder evolueerde de esthetische traditie in deze periode op een natuurlijke en continue wijze, van de laatbarok over de rococo en het neoclassicisme tot het historisme en het eclecticisme. De vernieuwingen van de Art Nouveau lagen hem duidelijk minder.
Parallel aan deze evolutie, illustreren zijn collecties ook een heel specifieke
sociale traditie, namelijk de beschermde levenssfeer van de Europese adel en de grootburgerij, met hun geraffineerde, internationale en gecodeerde leefcultuur, die gedurende diezelfde periode wel ooit verstoord werd, maar eigenlijk nooit echt onderbroken is geweest.
Bij het schetsen van de persoonlijkheid van de verzamelaar Pieter Smidt van Gelder, mogen we inderdaad niet vergeten dat hij nog een kind was van de
Belle Epoque en dat hij dus wel iets van een fin de siècle mentaliteit in zich droeg. Hij heeft relicten verzameld van een soort Verloren Paradijs, van een wereld die na de 1ste Wereldoorlog en de Revolutie in Rusland voor altijd voorbij was, maar die hij als kind en jonge man nog van binnenuit gekend had.
glasraam


De mecenas stamde immers uit een oud geslacht, dat behoort tot de hoogste Nederlandse kringen, het zogenaamde Patriciaat. De vaak indrukwekkende fortuinen van deze families komen niet zoals die van de adel, voort uit grootgrondbezit, maar ze werden generatie na generatie opgebouwd in de handel en in de industrie. Zo waren de families van Gelder en Smidt van Gelder al sinds
de 18de eeuw actief in de papierfabricatie.
Ook de
Antwerpse Pieter Smidt van Gelder, de vijfde met die naam, begon zijn volwassen leven als papierfabrikant. Na enkele jaren echter kon hij dankzij een fenomenale erfenis het zakenleven vaarwel zeggen en zich enkel nog wijden aan zijn passies voor kunst en reizen.
Het verloop van zijn leven bewijst overtuigend dat er, achter een zekere
pose van cultuurpessimist, een man van de wereld schuil ging, een man die zich niet alleen volledig op zijn plaats voelde in de moderne tijd met zijn ongelooflijke technische mogelijkheden, maar die ook met volle teugen kon genieten van al het aangename wat die wereld hem te bieden had.

Waar zijn verzameldomein uitermate klassiek was, kwam Pieter Smidt van Gelder op andere gebieden inderdaad verrassend modern uit de hoek. Zo is zijn uitgangspunt bij de inrichting van het privé-museum, en bij de heraanleg van de tuin, resoluut eigentijds en zelfs vooruitstrevend te noemen. Op geen enkele manier tolereerde hij dubbelzinnigheid tussen de nieuwe elementen die de museuminrichting met zich meebracht, en het historische gebouw op zich. Deze benadering is vandaag, wanneer een monument gerenoveerd wordt en een nieuwe functie krijgt, nog steeds van toepassing.
De twee museumverdiepingen en de tuin kregen consequent een eigentijdse, dertiger
jaren look. Dankzij dit uitgesproken Interbellum karakter weten ze zich zeer goed te handhaven in het overweldigende Belle Epoquegebouw en krijgt het geheel bovendien een uitgesproken persoonlijk cachet.
Dezelfde smaak en moderniteit herkennen we ook bij wat ons rest aan persoonlijke gebruiksvoorwerpen van de verzamelaar en in het bijzonder bij die zaken die op zijn vraag ontworpen werden, zoals zijn briefpapier, zijn ex libris en zijn monogram, dat op tal van voorwerpen werd aangebracht.

Pieter Smidt van Gelder was reeds op jonge leeftijd vertrouwd met de internationale kunstmarkt. Toen hij zijn activiteiten in het familiebedrijf stopzette, werd deze intrigerende, snelle en wat geheimzinnige wereld, al vlug zijn nieuwe biotoop. Meer zelfs, ze werd zijn lust en zijn leven.
Smidt kocht, ruilde en verkocht voortdurend kunst. Dit gebeurde van hand tot hand of in veilingzalen maar ook, en dan met de grootst mogelijke discretie, bij vertrouwde antiquairs. Hij deed dit vanzelfsprekend om zijn eigen verzamelingen uit te breiden of te verbeteren, maar ook omdat hij er zijn voordeel mee deed. Hij slaagde er meermaals in van nieuwe inzichten en modes te lanceren op het gebied van antiek. Zulke successen bezorgden hem ongetwijfeld, zowel op intellectueel als op financieel vlak, heel wat voldoening. De collectioneur hield er dan ook een
pied-à-terre op na in Londen en Parijs, om alle belangrijke bewegingen in de kunstwereld op de voet te kunnen volgen. Zijn Antwerpse huishoudster vertelde, dat ze hem meer dan eens op de perrons van Antwerpen Centraal ging opwachten om valiezen uit te wisselen, zodat hij zonder tijdverlies door kon reizen naar een nieuwe bestemming.
Heel typerend hierbij is verder dat, na de grote, officiële schenking aan de Stad Antwerpen en naast de verschillende kleinere officiële schenkingen die daar nog op volgden, de mecenas aanpassingen bleef doorvoeren in de museumopstelling en dit zonder het minste overleg met de nieuwe eigenaar. De getergde conservator vroeg om van zijn verantwoordelijkheid ontheven te worden. Burgemeester Craeybeckx, die goed begreep dat de mecenas mentaal nooit echt afstand had kunnen doen van wat hij als zijn
levenswerk beschouwde, verkoos om in dit netelige dossier een diplomatischer weg te bewandelen. Een en ander werd met de mantel der liefde toegedekt.

Naast of tijdens zijn onophoudelijke zoektochten naar bijzondere voorwerpen, reisde de verzamelaar ook echt voor zijn plezier. Pieter Smidt van Gelder vertelde dat hij meerdere
wereldreizen had gemaakt. Hij deed dit natuurlijk in stijl, bij voorkeur met de grote, internationale scheepslijnen als de Holland-Amerikalijn. Enkele fotoalbums, maar vooral de luxueuze hutkoffer die in het museum bewaard bleven, spreken hierbij sterk tot de verbeelding. Een collectie postkaarten, aangekocht in talrijke Kunststeden, laat ons dan weer toe om ook zijn reisdoelen op het Europese vastenland enigszins te volgen.
Smidt apprecieerde echter ook de rust van de ongerepte natuur. Hij bracht lange vakanties door in het familieverblijf te Versoy in Zwitserland, hij was een trouwe gast in Vichy en in andere elegante kuuroorden en hij maakte graag uitstapjes met vrienden op zijn zeiljacht de
Vesta. Hij had bovendien het plan opgevat om een riant buitenverblijf te bouwen te Merksplas, in de Antwerpse Kempen. Het poortgebouw en de personeelskwartieren waren afgewerkt en ook de parkaanleg was reeds goed gevorderd toen oorlogsomstandigheden het verdere verloop van de werkzaamheden onmogelijk maakten, zodat het hele project uiteindelijk werd opgegeven.

Maar ook in de figuurlijke zin was Pieter Smidt van Gelder een echte
man van de wereld.
De kwaliteit en vooral de kwantiteit van zijn serviesgoed, het porselein en het kristalwerk, de bestekken en het
tafellinnen, wijzen op een druk sociaal leven en op een uitgebreide kring van vrienden en relaties, die in Antwerpen ongetwijfeld nog werd uitgebreid. Er werden huisconcerten georganiseerd, theepartijen en diners. Een en ander kon in zijn appartementen gebeuren, in de tuin, en bij grote gezelschappen ook in het museum. De gasten behoorden zeker niet enkel tot de hogere kringen en de politieke wereld. Ook de vertegenwoordigers van het culturele, het wetenschappelijke en het artistieke circuit waren van harte welkom bij de verzamelaar.
Het privé-museum was daarenboven één dag per week en op eenvoudige aanvraag toegankelijk voor iedereen die er interesse voor betoonde. Het bezoek gebeurde in kleine groepen, onder begeleiding van de persoonlijke secretaresse van de verzamelaar, die deskundige uitleg verschafte.
De talrijke dankkaartjes en persoonlijke brieven die in het museumarchief bewaard bleven en de lovende commentaren in het gastenboek, leren ons de Smidt kennen als een hoofs, minzaam en gastvrij man, die met veel kennis en liefde over zijn collecties sprak, die boeiend kon vertellen over de speurtocht naar een uniek stuk en die zeker ook de
petite histoire niet schuwde. Het lijdt geen twijfel dat het privé-museum bij het uitbouwen en onderhouden van al zijn contacten, een belangrijke troef was. Pieter Smidt van Gelder heeft deze troef in Antwerpen volledig uitgespeeld en hij heeft daar, zonder enige twijfel, intens van genoten.







__OFFICIELE BRON VAN DIT ARTIKEL :

Zilver uit Antwerpen
Tentoonstellingscataloog
(1.10.2006 – 7.1.2007)
Zilvermuseum Sterckxhof
pagina 33-35